Programma

Najaar 2022: Cursus Moderne Kunst 1920-1980

U kent het wel. U staat in een steriele witte museumzaal en kijkt naar een aantal onbeduidende objecten in een hoek van de ruimte. Wat moet u hier nu van maken? Is dit nog kunst?
Om blinde paniek in zo’n situatie te voorkomen, is deze cursus in het leven geroepen. In de cursus staat de ontwikkeling van de beeldende kunst tussen ongeveer 1920 en 1980 centraal. In de zestig jaar die we in deze cursus behandelen, heeft de kunst heel uiteenlopende vormen aangenomen. Ook hebben kunstenaars een veelvoud aan materialen gebruikt om hun kunst te maken. Hoewel de kunstwerken dus heel verschillend zijn, is er wel een bredere onderliggende ontwikkeling waarneembaar. In acht lessen gaan we die ontwikkeling volgen en staat ook steeds het kunstbegrip centraal.

Edward Hopper, Nighthawks,1940, olieverf op doek, 81 x 151 cm, Art Institute of Chicago Bron: Wikimedia

Praktische informatie

Data:
September: 29
Oktober: 6 – 13 – 20
November: 3 – 17
December: 1 – 8

Locatie: De Poorterij (Rode Zaal) / Nieuwstraat 2 / 5301 EW Zaltbommel
Tijd: 19.45u – 21.45u
Prijs: € 190,- (incl. gedrukte syllabus en BTW)

INSCHRIJVEN

De cursus is volgeboekt. Inschrijven is helaas niet meer mogelijk.

PROGRAMMA

29 september: Lezing 1 – NA WO I: EEN NIEUW BEGIN
Aan het begin van de 20e eeuw was de kunstzinnige sfeer in Europa optimistisch. Jonge kunstenaars keken naar de toekomst en experimenteerden volop met kleuren en vormen. Na de verschrikkingen van WO I veranderde dat. De vraag ‘wat is kunst?’ bleef belangrijk, maar leverde veel radicalere antwoorden op dan de modernistische experimenten van voorheen. Sommige kunstenaars wilden radicaal breken met het begrip ‘kunst’, anderen vonden dat kunst meer aansluiting moest zoeken bij de maatschappij. Sommige kunstwerken leidden tot fundamentele vragen over de betekenis van kunst. In deze lezing gaan we verder in op deze reacties.

6 oktober: Lezing 2 – SURREALISME
DADA veroorzaakte een radicale breuk met het begrip kunst, maar bood weinig oplossingen. De zoektocht naar ‘wat kunst zou moeten zijn’, leidde tot individuele experimenten, maar mondde ook uit in een meer collectieve uiting: het surrealisme. Geïnspireerd door Sigmund Freud bepleitte André Breton dat de nieuwe kunst moest voortkomen uit het onderbewustzijn en de droomwereld van de mens. In deze les gaan we kijken naar de manier waarop dit in kunstwerken tot uiting kwam.

13 oktober: Lezing 3 – NAOORLOGSE EUROPESE KUNST
Na WO II klonk er onder kunstenaars opnieuw een grote roep om vrijheid. Zeker na de beperkingen die kunstenaars waren opgelegd onder het nationaalsocialisme. Dit keer ging het niet zozeer om de vraagstelling ‘wat kunst is’, maar eerder om het feit ‘dat kunst er is’, dat kunst er moet zijn en dat kunst in totale vrijheid gemaakt moest kunnen worden. In Europa uitte dit zich op een heel expressieve manier, met uiteenlopende onconventionele materialen. De grootste collectieve schreeuw om vrijheid kwam van de CoBrA groep, maar ook individuele kunstenaars wisten krachtige, nieuwe kunst te maken.

20 oktober: Lezing 4 – AMERIKA: THE PLACE TO BE
Na drie lessen Europa richten we ons vizier op Amerika. In deze les staat de opkomst van Amerika als nieuw cultureel centrum in de wereld centraal. Amerika had zich in een aantal decennia razendsnel ontwikkeld, zowel maatschappelijk als economisch. Ook op kunstzinnig gebied speelde Amerika steeds meer mee. Hoewel de bestaande kunsttraditie nog lang gangbaar bleef, zou Amerika zich in de eerste helft van de 20e eeuw steeds prominenter profileren op het gebied van de moderne kunst en architectuur.

3 november: Lezing 5 – ABSTRACT EXPRESSIONISME
Kort na WO II ontwikkelde zich een eerste moderne Amerikaanse kunststroming; het abstract expressionisme. Deze kunst was abstract, maar gaf tegelijkertijd uitdrukking aan de gevoelens van de kunstenaar. De stijl is onder te verdelen in twee categorieën: action painting en colourfield painting.  In deze les gaan we dieper in op de betekenis van deze stroming.

17 november: Lezing 6 – POP ART EN MINIMAL ART
In de jaren ’50 was het abstract expressionisme razend populair, maar al gauw volgden er reacties op stroming. Enerzijds kwam de Minimal Art op. De minimalisten streefden naar een zo objectief mogelijke kunst. De abstracte vormen moesten ontdaan worden van de persoonlijke gevoelens van de kunstenaar. Anderzijds was er de Pop Art. Deze figuratieve kunst liet zich inspireren door de eigentijdse beeldcultuur en de moderne maatschappij. Het contrast met de abstractie kon niet groter zijn. In deze les komen de kopstukken van deze ontwikkelingen voorbij.

1 december: Lezing 7 – DE KUNST BEVRIJDT ZICH
In Europa had het Nouveau Réalisme een grote invloed op de bevrijding van het begrip ‘kunst’ uit zijn traditionele kaders. In de jaren ’60 verplaatste kunst zich steeds vaker van de traditionele museumzaal naar buiten. Er vonden happenings en performances plaats in de openbare ruimte en de natuur. Ook de media waarmee kunst gemaakt werd, veranderden radicaal. Sommige kunstenaars gebruikten het landschap of hun eigen lichaam als drager van de kunst. Anderen vonden het achterliggende idee veel belangrijker dan het kunstwerk zelf. Kunst kon zelfs uit uitdagende woorden bestaan. Kortom, de kunst bevrijdde zich. In deze les gaan we kijken naar een aantal van die nieuwe kunstuitingen.

8 december: Lezing 8 – EEN NIEUWE FASE
In de naoorlogse periode was de moderne kunst steeds pluriformer geworden. De kunst had gaandeweg meer afstand genomen van zijn traditionele basis. Sommige kunstenaars en architecten reageerden hierop door terug te keren naar de basis; naar traditionele materialen en media, maar ook naar herkenbaarheid en concrete vormen. Samen met de eerder ontstane kunststromingen zou dit de basis vormen van het postmodernisme.